De viering van de eucharistie

De eucharistie verbindt christenen met het laatste avondmaal van Jezus (hier in de beroemde verbeelding van Leonardo da Vinci), die centraal staat op Witte Donderdag.

De viering van de eucharistie begint met een woord­dienst. Deze bestaat uit een welkom, een gebed, voorafgegaan door een stilte, twee of drie lezingen, afgewis­seld met een psalm als tussenzang, vaak een preek. In de offi­ciële liturgie begint elke viering met een schuldbelijde­nis.

In de kapel waarin ik meestal vier, zeggen we de schuldbelijdenis alleen in de Advent en in de veertig­dagentijd. Want de schuld­belijdenis kan suggereren dat God ons eigenlijk niet zo mag en mensen het gevoel geven dat zij voortdu­rend in schuld leven. Er is in het verleden te veel nadruk gelegd op onze ‘onwaardigheid’ ten opzichte van God. We mogen ervan uitgaan dat God van mensen houdt en ze waar­dig genoeg vindt. Natuur­lijk moet je niet dronken in de viering komen en niet zoveel van het brood en de wijn nemen dat er voor anderen niets overblijft (vergelijk. 1 Korinte 11:17-34). En je spreekt de inhoud van de viering tegen als je er met handen vol bloed en onrecht naar toegaat. De eucharis­tie is echter geen viering van mensen die volmaakt zijn. Ze helpt ons dieper opgenomen te worden in de gemeenschap met elkaar en met Jezus.Het gebed kan voorafgegaan worden door een korte ‘litanie’, een reeks van korte aanroepingen: ‘Heer, ontferm U, Christus ontferm U’ (‘Kyrie’). Daarna kan nog een lofzang gezongen worden; vaak gebruikt men daarvoor een oude tekst (‘Glori­a’).

Drie lezingen (op zon­dag), zoals door de centra­le leiding van de kerk is voorgeschreven, lijken me wat veel; vol­gens mij is de psalm tussen de twee lezingen al een (der­de) lezing. De laatste lezing wordt altijd genomen uit een van de vier evan­gelies. Na de preek wordt een lied gezon­gen. Vroeger werd de geloofs­belijdenis (‘credo’) uit de vierde eeuw gezongen. Maar eigenlijk hoort de geloofs­belij­denis niet thuis in de eucharistie­vie­ring, maar in de viering van de doop. De tekst is bovendien voor mensen van nu moeilijk te ver­staan. Ik vind dus de keuze voor een lied beter.

De woord­dienst kan worden afgesloten met voorbe­den voor de noden van de wereld en individue­le mensen. Mensen kunnen hun ‘inten­ties’ hebben opge­schreven in een boek dat bij de ingang van de kerk­ruimte ligt. Het is mogelijk de voorbeden op het einde van de viering te doen en zo een meer evenwichtige afslui­ting te krijgen. In onze kapel branden we wierook bij de voorbe­den: de opstijgende rook verbeeldt onze gebeden die opstij­gen naar God.

Na de woorddienst vindt er een collecte plaats en worden brood en wijn op de tafel gezet. De collecte is een manier om betrokkenheid te tonen met elkaar en met de wijde wereld. Ze hoort echt bij de viering. In vele landen vindt er een ‘processie’ plaats, waarin mensen letterlijk de vruchten van de aarde, geld of andere zaken naar de voorganger aan de tafel brengen, de ‘offe­ran­de’.

In de liturgie zoals die door de centrale leiding van de kerk is vastgesteld, zijn er bij de ‘offerande’ verschil­lende gebeden. Bij de hervorming van de liturgie in de jaren zestig jaren wilde men die aanvan­kelijk laten verdwij­nen, maar verschillende bisschoppen vonden dan de dienst te kort en te sober worden. Mij lijkt het beter met één kort gebed te volstaan.

In het tabernakel, helemaal voorin de kerk, achter het altaar, worden de hosties bewaard die na een eucharistieviering of Mis over zijn gebleven.

In de traditie van de katholieke kerk wordt ongegist (ongedesemd) brood ge­bruikt. Dit is een verwijzing naar het joodse paasmaal, waarin dit is voorge­schre­ven. Dit brood in de eucharistie wordt wel ‘hos­tie’ genoemd en lijkt op de joodse matzes. In de oosters-ortho­doxe kerken en in die van de Hervorming wordt gewoon brood gebruikt: dit geeft duidelijker een band aan met ons dage­lijks brood.

Na het gebed over de ingezamelde gaven volgt het dankge­bed (‘tafel­gebed’ of ‘canon’). Dit opent vaak met een dialoog tussen voorgan­ger en gemeenschap, gevolgd door een tekst die van inhoud wisselt naar gelang de tijd van het jaar of het feest (‘prefatie’). Meestal wordt het tafelgebed onderbroken door korte ge­sproken of gezongen teksten (‘acclama­ties’) uit de mond van de gemeenschap. De bekend­ste daarvan is het ‘Heilig, heilig, hei­lig, de Heer, de God der hemelse machten! Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijk­heid. Hosanna in den hoge. Gezegend Hij die komt in de naam des heren. Hosanna in den hoge’. (Dit ‘sanc­tus’ is ontleend aan de profeet Jesaja (6:3) en Psalm 118:25.)
Er zijn verschillende teksten voor dit dankgebed in gebruik. De teksten die in Rome zijn gemaakt zijn theolo­gisch gezien wat ouder­wets. Sommige van de Nederlandse teksten zijn te weinig een dankgebed.

Het dankgebed heeft drie elementen, die overi­gens ook elders in de dienst al of niet uitdrukkelijk aan bod kunnen komen. Het eerste element is het verhaal van wat Jezus deed op het laatste avond­maal: de instellings­woorden (‘consecra­tie’). In de middel­eeuwen heeft dit verhalend gedeelte een haast magische beteke­nis gekregen. Men concentreerde het moment van het aanwe­zig komen van Jezus op deze woorden. Het is echter beter zo’n moment niet aan te wijzen in de viering. Door dit verhaal opnieuw te vertellen, spreken we uit dat we willen handelen in de geest van Je­zus.
Een tweede element is het oproe­pen van de herinnering aan het leven, de dood en de ver­rijzenis van Jezus, en de ontmoe­ting met Jezus, die nog in de toekomst ligt (‘anamnese’). In deze ‘anam­nese’ gedenken we de trouw van God, waarvoor we onze dank zeggen. Het derde element is de aanroe­ping van de Geest of Adem van God en van Jezus; in kracht van deze Adem komen wij samen (‘epiclese’). De aanwe­zigheid van de Adem van God is een onderpand van de trouw van God aan ons in de toekomst.

Na het dankgebed volgt het gebed dat Jezus ons gegeven heeft, het Onze Vader. Daarna wensen we elkaar de vrede door mensen, die in onze­ buurt staan, een hand of een kus te geven met daarbij woorden als ‘de vrede van Christus’. Deze vredes­wens blijkt in de huidige beleving heel belangrijk te zijn. Op dat moment voel je of je al of niet iets tegen een ander hebt. Hij schept een goede sfeer en maakt ieder­een gereed om vervolgens brood en wijn te delen (‘commu­nie’). Eerst wordt het brood gebroken. Daaronder wordt het ‘Lam van God, dat wegneemt de zonden van de wereld, ontferm U over ons’ (‘Agnus Dei’), of een lied gezongen. Vervolgens worden brood en wijn uitgedeeld.

Wanneer ik brood en wijn uitreik, weiger ik die aan niemand. Ik ben geen rechter over het vertrou­wen van anderen. Ik zou wel weigeren brood en wijn te geven aan mensen die, zoals de vroegere president van Argen­tinië Videla of de Chileense dictator Pinochet, publieke moorde­naars zijn. De centrale leiding van de katholieke kerk heeft hier een andere inschatting gemaakt. Zij had er geen problemen mee deze mensen ter communie te laten gaan. Zij heeft ze wel met mensen die niet onder haar leiding staan. Ze is tegen wat men noemt ‘intercommu­nie’ en weigert aan protestanten de communie.

De dienst wordt vervolgens afgesloten met gebed, zending en zegen. We keren weer terug naar het leven van alledag, maar gesterkt door het vieren van het samen delen van brood en wijn.

Deel!Email this to someoneShare on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Print this page

Schrijf een reactie

Opgeslagen onder Vieringen en sacramenten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *