‘Eerste steen’ of alleen mensen zegenen?

Vorige week kwam de Spaanse algemeen overste van de Jezuïeten. ‘de generaal’, de Spaanse pater A. Nicolas, naar Nederland om de eerste steen te zegenen van het nieuwe gebouw van het kloosterbejaardenhuis in Nijmegen. Nu wordt nog nog het oude studiehuis van de Jezuïeten daarvoor gebruikt, met te weinig goede faciliteiten. Het gebouw is groot, voor bezoekers een doolhof. Omdat het aantal religieuzen afneemt, zal het nieuwe huis gestadig te groot worden voor deze doelgroep. Het wordt een huis dat in toenemende mate bewoond gaat worden door niet-religieuzen. Wat zal er nog overblijven van het gemeenschappelijke van het kloosterleven?

'Misschien moeten we alleen mensen zegenen, ook als zij geen onderdak hebben en een beroep op ons doen.'

‘Misschien moeten we alleen mensen zegenen, ook als zij geen onderdak hebben en een beroep op ons doen.’

Het wekt geen verbazing das de te wijden steen als ’eerste steen’ als opschrift krijgt ut omnes unum sint: ‘opdat allen een zijn’. Het gebouw moet niet alleen stevig op de grond staan met zijn twee parkeergarages en zes woonlagen, het moet ook goed bewoonbaar zijn en geschikt zijn als een plek voor religieuzen.

Zo staan ’s morgens om negen uur een groepje mannen op het bouwterrein. Allen met een geel shirt aan en met een bouwhelm op. Die helm gaat even af wanneer er gebeden wordt. De eerste steen moet nog een tijdje opgeslagen blijven totdat het gebouw bijna klaar is en er een goede plek voor gevonden is. Veel huizen en grote gebouwen hebben een eerste steen. Het is nooit de eerste steen, maar deze wil herinneren aan het begin van de onderneming om te gaan bouwen.

Berchmanianum, Nijmegen

Berchmanianum, Nijmegen

Het verschijnsel een plechtigheid te houden bij het begin van de bouw heeft diepe wortels. We lezen in 1 Koningen 16, 34 dat in de dagen van koning Achab ‘Chiel de Bet Eliet Jericho gebouwd heeft; met inzet van Aviram, zijn eersteling, heeft hij het gegrondvest en met inzet van Segoev, zijn jongste, heeft hij haar poortdeuren geplaatst’. Hij heeft dus zijn oudste en jongste kind in de grond begraven en daarop Jericho herbouwd. Dit schijnt buiten Israël een bekende handeling zijn geweest. Het punt is niet dat hij kinderen opofferde. Kinderen konden zich niet zo goed verweren als een volwassene. Het gaat hier om een mensenoffer. Het is niet belangrijk aan welke god geofferd werd, of aan helemaal geen god. De offers zijn ouder en eerder dan de goden, die vanuit de offers zijn ontstaan.

Achter de daad van Chiel gaat het zondebokgebeuren schuil. Hij wist dat een offer de aandacht kreeg van iedereen in de gemeenschap. Iedereen richtte zich op het ritueel van het offer dat het geweld verving en een echte uitdrijving van de zondebok voorkwam. Het offer bracht vrede. Mensen spraken elkaar druk over dit offer. Het offer bracht ze bijeen. Een offer opdat allen een zijn. Deze vrede garandeerde een vredige heerbouw van Jericho. De prijs lijkt mij te hoog. Ook in die tijd hielden mensen van hun kinderen. Ik kan me echter voorstellen dat iedereen die de poort uit- of inging zich dit offer herinnerde en erdoor geïnspireerd werd.

Vergeleken met deze kinderoffers is de zegening van een steen met gebed en een besprenkeling met water een vreedzaam gebeuren. Toch vraag ik me af of we wel stenen, huizen, kantoren enz. moet zegenen. Zou het misschien van meer geloof getuigen God niet te noemen bij onze bouwsels die door een aardbeving ineen kunnen storten, in brand kunnen raken of een onheilsplek kunnen worden. Misschien moeten we alleen mensen zegenen, zeggen dat zij er mogen zijn, ook als zij geen onderdak hebben en een beroep op ons doen.

Schrijf een reactie

Opgeslagen onder Geloven vandaag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.