Preken is leven doorgeven

De orde der dominicanen, waar ik lid van ben, heet officieel 'orde der predikers'. De missie van deze orde wordt in dit dominicaanse wapen omschreven met drie woorden: 'Laudare, Benedicere, Praedicare': loven en danken, zegenen, prediken.

Een preek is iets anders dan een uitvoerige uitleg van een tekst uit de Bijbel. De bestudering van de tekst moet de predikant doen in haar of zijn studiekamer, voorafgaand aan de preek. In een preek ‘vertaalt’ iemand de tekst naar het ‘nu’. Het is een vertaling van deze persoon. Hij – meestal is het een ‘hij’, maar gelukkig is dit niet altijd zo – laat daarmee iets van zichzelf zien.

De preek gaat niet ‘over’ de tekst, maar de tekst is door degene die preekt, heengegaan, door zijn of haar levensverhaal, vertrouwen, twijfels, hoop. Hij is – met het beeld van de verrijzenis – eerst in de predikant neerge­daald en is in hem of haar tot nieuw leven gewekt. De tekst was eerst dood, een serie letters en woorden in een boek. Nu danst de tekst levend rond.

Niet voor niets zie ik preken als een daad die onder de werking van de Adem van God staat. De predikant zal vaak bidden vóór hij of zij begint te spreken. Ik preek het liefst zonder papier voor me. In elk geval volg ik nooit letterlijk de tekst die ik heb opgeschreven om na de dienst de hoorders mee te geven. Zo laat ik ruimte voor invallen voor de inspira­tie, die de hoorders me geven, en voor de werking van de Adem van God.

Hoewel preken een heel persoonlijk en kwetsbaar gebeuren is, gaat het niet om een individuele en persoonlijke vertolking van de tekst, maar om een vertaling ten dienste van de hoorders. Preken is geen ‘zie mij daar eens even literaire of theologische hoogstandjes maken’. De preek eindigt in een lied of een gebed, niet in een applaus. Hij kan ertoe bijdra­gen dat de hoorders hun leven kunnen zien in het licht van het verhaal van God, Israël, Jezus en de werking van de Adem van Jezus. Hij verheldert, zet aan het denken, bemoedigt, troost, daagt uit, geeft toekomst, wekt tot leven.

Omdat een preek een tekst is die opgebloeid is in deze persoon, is een preek niet allereerst voorwerp van discussie. Achteraf mag je je vragen erbij hebben en kritiek erop hebben. Maar in de kerkdienst krijgt de predikant de ruimte om vrijmoedig te zeggen wat hij of zij meent te moeten zeggen.

De toehoorders denken misschien dat zij slechts een passieve rol vervullen. Niets is minder waar. Degene die preekt, voelt wat er in de ruimte gebeurt. De (meestal onuitgesproken) reacties van de hoorders zijn te voelen op de plek vanwaar gepreekt wordt. Gelukkig is die plek meestal geen preekstoel meer, hoog boven de toehoorders, maar een plaats tussen of vlak vóór hen, eventueel op een klein verhoog. De predi­kant is een van hen. Allen horen. Ik ben blij dat in de katholieke traditie een preek doorgaans ingebed ligt in een groter geheel van bidden en vieren. Er is meer dan de preek. Dikwijls is het resultaat van een preek alleen maar dat mensen zich door het geheel van de viering aangesproken voelen. Wat de predi­kant precies gezegd heeft, weten vele toehoorders al niet meer, wanneer zij de kerk verlaten.

Er bestaat een preektraditie waarin de predikant voortdurend ‘moraliseert’. Met ‘moraliseren’ bedoel ik: zeggen hoe het hoort, een schuldige aanwijzen of de toehoorders inpeperen dat zij schuldig zijn. Vroeger werd in de katholieke kerk veel gemorali­seerd over seksualiteit. Dat gebeurt nu niet meer. Nu dreigen we over de wereld te morali­seren. Mensen komen vaak moe in een kerkdienst en daar worden ze nogmaals overstroomd met de ellende in de wereld, met daarbij de oproep dat ze er wat aan moeten doen, al weet de predikant vaak niet wat.

Er is zeker plaats voor een profetisch getuige­nis ten aanzien van groot en klein onrecht. Maar een preek moet altijd door­trokken zijn van de geest van de onvoor­waardelijke vergeving. In gesprek en discussie later kunnen we samen uitvinden welke eisen zij aan ons stelt.

Een preek wil leven geven, ons doen opstaan uit de ellende, ook uit die misère die wij zelf veroorzaken. Een preek moet geestrijk zijn en mag geestig zijn. Hij kan de ogen openen en ons (de predikant incluis) pijnlijk confronteren met onszelf. Dit laatste moet echter voortkomen uit de hoop dat God telkens een nieuw begin maakt en toekomst aanbiedt.

 

Schrijf een reactie

Opgeslagen onder Kerk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.