God en mens. Ten diepste een relatie

Griekse icoon (uit Karyes) van Jezus als 'Pantocrator', Heer van alles

Wij hebben, denk ik, niet zo’n behoefte precies te formuleren hoe Jezus zich tot God verhoudt en hoe hij zich tot ons verhoudt. We beseffen dat ons dit niet lukken zal. Het is veel beter om met een verscheidenheid van beelden en woorden te beschrijven wat Jezus voor ons betekent en dat God zichzelf in hem zichtbaar maakt.

Dit is wel eens anders geweest. Toen de christenen in de vierde eeuw uit hun schuilhoeken te voorschijn kwamen en er een publiek debat mogelijk werd, is er hard gevochten over de vraag hoe over Jezus te spreken. De woorden en formuleringen van toen worden nog steeds gebruikt. Ze geven ook nog steeds te denken. Maar ze zijn alleen te begrijpen als we de Griekse filosofie en theologie erbij in beschouwing nemen.

Stabiliteit en hiërarchie

De christenen van die tijd – de meesten spraken Grieks – hadden twee problemen met het bijbelse verhaal. In het wereldbeeld van die tijd was stabi­liteit van belang. Voor ons is dat anders. Wij waarderen het juist als er beweging is, verandering, vernieuwing. Daarin staan we dichter bij de wereld van de schrijvers van de Bijbel dan de christenen van de eerste eeuwen. In de boeken van de Bijbel – die geschiedenissen vertellen – zijn mensen in beweging. En God ook.

Voor de Grieks sprekende christenen was verandering een probleem. Zij waren geboeid door wat stabiel was, onveranderlijk en eeuwig, zeker als het om God ging. Daarnaast dachten ze heel hiërarchisch. Hun maat­schappij was een piramide: bovenaan stond de vorst, dan de vrije burgers, vervolgens hun vrouwen en hun kinderen, en tenslotte slaven en slavin­nen. God stond dan weer boven de piramide, of was er het hoogste puntje van. Van bovenuit stroomde God als een beek, en raakte meer naar beneden steeds verder verdund.

Jezus = God

Een van hun vragen was hoe ze Jezus moesten voorstellen in die hiërarchie. Als een lagere trap op de piramide? Of als een ‘manifestatie’ van God? Op de bisschoppenvergadering (concilie) van Nicea (nu Iznik in Turkije) besloot men in 325 dat Jezus niet zomaar een trapje op de piramide was. In Jezus ontmoet je God zelf. Hij is het gezicht van God.

Om dit te formuleren werden woorden gebruikt die het ‘zijn’ en de onverander­lijkheid van God bena­drukten. Zo ontstond een beeld van Jezus waarin die onveran­derlijkheid sterk naar voren komt. Denk maar aan iconen waarop Jezus ons onaangedaan aankijkt, gehuld in een rood onderkleed – de kleur van de keizer en het goddelijke – en een groen of blauw bovenkleed, de kleur van de aarde. Alsof het mens-zijn van Jezus een kledingstuk is dat de werkelijke inhoud, het goddelijke, verhult.

Twee naturen, een persoon

Na Nicea ging de strijd nog een hele tijd door. De vraag werd toen of je nog wel iets van Jezus als mens overhield. Op het concilie van Chalcedon (een stad bij het huidige Istan­bul) werd in 451 een compromis gevonden, waarmee de overgrote meerderheid zich kon vereni­gen.

Van Jezus werd gezegd dat er twee ‘naturen’ in hem zijn, de goddelijke en de menselijke, en één ‘persoon’, de goddelijke. Het woord ‘natuur’ betekent niet ‘natuur’ zoals wij dit woord gebruiken, maar ‘centrum van activiteit’. Ook het woord ‘persoon’ betekent iets anders dan wij eronder verstaan. Het duidt de verschijning naar buiten aan. Jezus laat ons God zien, zegt deze formule, en dat is geen schijn, maar werkelijkheid: Jezus is verankerd in God. In hem ontmoeten we God.

Fragment uit de beroemde schildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, waar God en Adam (letterlijk: 'de mens') naar elkaar reiken en er leven ontstaat.

Ook hier komen de woorden voort uit een denken dat bovenal geboeid is door het ‘er zijn’. De formulering van Chalcedon lijkt te suggereren dat er twee componenten in Jezus zijn. Dat is natuur­lijk niet de bedoeling, want het goddelijke is geen component naast het menselij­ke. God is geen concurrent van de mens – het unieke van het christelijk geloof is nu juist dat God in de mens Jezus verschijnt.

Relaties

Wij zijn geneigd veel meer te denken in termen van relaties. Bij ons is een ‘persoon’ niet een ding maar een relatie, een verhouding. In een gelovige visie zijn mensen bij uitstek personen, omdat God een relatie met hen heeft.

Dit geldt op bijzonde­re wijze van Jezus. Gezien zijn optreden had hij een eenheid met God die andere mensen niet op deze wijze hebben. Daardoor kon hij onvoorwaardelijke vergeving centraal stellen, daardoor durfde hij zijn leven te geven. God maakt in hem een nieuw begin, dat van betekenis kan zijn voor alle mensen. Dit kenmerkt de persoon van Jezus.

3 Comments

Opgeslagen onder Jezus, de Christus

3 Responses to God en mens. Ten diepste een relatie

  1. André Lascaris

    Onze voorstellingen van God veranderen. God is altijd liefde geweest, maar wij, mensen, hebben God eerst ‘ontdekt’ als een almachtige macht en pas heel langzaam daagt het ons dat de macht van God de macht van de liefde is. God reageert op ons zoals een tennisspeler op zijn medespeler reageert; in die zin is God steeds weer anders. Jezus (met anderen) heeft God laten zien als liefde en wij geloven dan Zijn getuigenis waar is.

  2. Hubrecht Duyvejonck

    Mijn probleem is voor 50jaar was GOD een boeman die alles opschreef en bij je sterven het boek opensloeg.Nu is GOD een en al Liefde.GOD kan toch niet veranderen.Hoe zit het dan.Hartelijk

  3. Jean

    Persoonlijk vind ik het Joodse denken, van binnenuit en van onderop, veel minder star dan het Griekse denken. Ik vind het jammer dat wij vanuit de kerk ondergedompeld worden in een theologisch denken dat de mens zo klein is. Dat er buiten de kerk van Rome geen heil is en dat men de mens Jezus heeft willen vangen in formuleringen. Er is steeds minder ruimte voor de ervaring van mensen. Wijk je van het geijkte af, dan kan dat verdacht zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.